Javascript en cookies zijn nodig om deze site te bekijken

De onzichtbare slachtoffers van 2020

door Tia Sowie

Martine Tanghe is weer op de televisie. Met een gepast droevige blik overloopt ze het lijstje van bekende mensen die in 2020 zijn gestorven: acteurs, atleten en beroemdheden passeren de revue. Dan komen, geheel volgens de nieuwe traditie, de coronacijfers. In België staat de teller op 19 600, wereldwijd zijn er al zo’n 1,8 miljoen doden te betreuren.

Hun namen worden niet genoemd, hun gezichten worden niet getoond. En wat met de mensen die niet gestorven zijn aan de gevolgen van het virus, maar aan eenzaamheid, verdriet of stress? Zij krijgen geen plaatsje in de statistieken, hun dood wordt niet meegerekend. Deze slachtoffers blijven onzichtbaar. Zelfs in de dood blijven ze voor eeuwig in de schaduw staan.

Het Rode Kruis

In maart 2020 ging ons land op slot. Mensen werden aangemaand om thuis te blijven en elkaar te vermijden. Dag na dag bracht het journaal sombere berichten over het virus dat ons leven ging beheersen. De beelden van ziekenhuizen die volstroomden en huilende zorgverleners, waren beklijvend.

De zomer bracht eventjes respijt. We konden weer met zijn allen naar buiten, schuchter en onzeker, alsof we de wereld opnieuw moesten ontdekken. Tot de tweede golf ons overspoelde. Ditmaal besloot ik niet bij de pakken te blijven zitten en schreef ik me in als vrijwilligster bij het Rode Kruis. De vrouwen en mannen die al maanden onze gezondheidszorg overeind hielpen, verdienden meer dan wat applaus. Tijd om de handen echt uit de mouwen te steken.

Het rusthuis in

Op zaterdag 7 november om half zeven sta ik voor de deur van een rusthuis in Antwerpen. De hoofdverpleegster ontvangt me vriendelijk en legt me uit wat ik moest doen: het ontbijt en middagmaal naar de kamers van de rusthuisbewoners brengen, bedden opmaken en een praatje slaan. Vooral dat laatste wordt me op het hart gedrukt: geef de mensen even wat tijd en aandacht.

De vrouwen en mannen die al maanden onze gezondheidszorg overeind hielpen, verdienden meer dan wat applaus. Tijd om de handen echt uit de mouwen te steken.

Van de vijf verdiepingen is er eentje afgesloten voor de COVID-19 patiënten. Wat ik ook doe, op verdieping 2 mag ik absoluut niet naar binnen: dat is de cohortafdeling. Zo gezegd, zo gedaan.

Ik start mijn shift op de vijfde verdieping. De bewoners zitten op hun kamer, af en toe schuifelt een bejaarde door de gang. “Dit is het enige dat we nog mogen doen”, vertrouwt een pientere dame me toe, “eventjes op de gang lopen”. Ze brengen hun dagen eenzaam door, de televisie is hun enige gezelschap.

“Wij leven hier in een gevangenis, niemand mag ons komen bezoeken. Wat hebben we jullie misdaan?”, vraagt een oude man me snikkend. Ik weet niet wat ik moet antwoorden en mompel iets over de coronamaatregelen. Het dient om hen te beschermen, toch?

Twee weken later bezoek ik het rusthuis opnieuw. De situatie is volledig veranderd. Van de vijf verdiepingen zijn er nu 4 omgebouwd tot cohort. Militairen lopen door de gang, opgeroepen om het personeel te ondersteunen.

De enkele bewoners die nog niet zijn besmet schuilen in hun kamers. Hun ogen staan dof, niemand reageert als ik het ontbijt op hun tafeltje neerzet. Deze mensen leven in de wachtkamer van de dood.

Helpen in Mechelen

De situatie in Antwerpen heeft me aangegrepen. De enkele bejaarden waar ik tijdens mijn eerste bezoek een praatje mee heb gedaan, zijn niet meer. Zo genadeloos is het virus.

Ik besluit om een rusthuis in Mechelen te ondersteunen, ook hier hebben ze hulp nodig. Ik word hartelijk ontvangen door enkele verpleegsters. Of ik dit volledig vrijwillig en gratis doe, vragen ze me bewonderend. Ik haal verlegen mijn schouders op: ik doe slechts mijn burgerplicht.

Hier lijkt de situatie minder schrijnend. De bejaarden mogen samen eten en kijken dan gezellig naar de televisie. Heeft het virus Mechelen dan niet bereikt?

Niets is minder waar.

“De eerste golf heeft ons niet hard getroffen, dat is waar”, zegt Loubna. “We hadden een tekort aan materiaal en moesten zelfs motiveren waarom we een mondmasker wilden dragen. Maar al gauw konden we ons organiseren en zijn we gespaard gebleven van het ergste.”

Heidi en Marina knikken beamend. “Wel moesten we nog onze schorten delen, weet je nog? Je moest die na je shift binnenstebuiten keren voor je collega. Maar we kregen gelukkig veel steun van de vakbond, vrijwilligers stonden klaar om ons te helpen en de waardering van de familieleden was groot”, vertelt Marina.

“De tweede golf was anders, harder. Het begon met een familielid die de voorzorgsmaatregelen niet wou respecteren en onbeschermd zijn ouder bezocht. Toen ging het snel. Voor we het wisten werden hele afdelingen afgesloten. Overal lagen patiënten met hoge koorts en symptomen. Collega’s vielen uit, geveld door het virus.”

We verloren een collega, niet aan de ziekte, maar aan zelfmoord.

“Het was chaotisch”, geeft Marina toe. “We werden ingezet op andere afdelingen waar we de bewoners niet persoonlijk kenden. Hierdoor konden we geen goede informatie geven aan ongeruste familieleden die belden. Dit kwam onprofessioneel over maar we hadden geen keuze. Het was doorwerken tot we erbij neervielen.”

Hun blik dwaalt naar het portret van een collega, dat netjes ingelijst op een plankje aan de muur staat. “We verloren een collega, niet aan de ziekte, maar aan zelfmoord. Loubna, Marina en ik werden alle drie ziek in dezelfde week”, vertelt Heidi zachtjes. “Onze collega stond er plots alleen voor: een gang vol zieke mensen die je kent, waar je een band mee hebt opgebouwd en die je niet kunt helpen. Machteloos: zo moet ze zich gevoeld hebben. Maar we zullen het nooit weten.”

De verpleegsters worden stil. Het verdriet is nog te vers, te rauw.

“Gelukkig hebben we elkaar, de steun en vriendschap onder het personeel is de laatste maanden zo sterk geworden”, zegt Loubna. “Mensen die hier niet staan, weten niet wat het is. Hoewel de meerderheid ons werk apprecieert, blijft er toch veel egoïsme in de samenleving. Kijk maar naar de feestvierders die alle regels aan hun laars lappen, alsof ze onsterfelijk zijn.”

Ze vertellen me het verhaal van een rusthuisbewoner die op sterven lag maar zijn zoon nog een laatste keer wilde zien. “We hebben die man opgebeld en gevraagd om de wens van zijn vader te respecteren. Hij heeft vlakaf geweigerd, hij was zelf risicopatiënt en wilde niets aan het toeval overlaten. De oude man heeft nog enkele dagen gewacht op zijn zoon maar is dan in alle eenzaamheid gestorven.”

“Dat doet pijn. We moeten echter doordoen. Vooruitkijken. Hopen op betere dagen”. In de gang gaat een bel af, de pauze is voorbij. Na mijn shift bedank ik de drie dames voor het gesprek. Wat zij elke dag meemaken, weten weinigen.

Ik denk aan alle mensen die ik heb ontmoet: de moed en doorzettingsvermogen van deze engelen van de zorg. De stille wanhoop en ellende van onze oudste medemensen, opgesloten in hun kamertjes. Ik denk aan de onzichtbare slachtoffers van 2020, die zoveel meer verdienen dan een plekje in de schaduw.

Ik denk aan het jaaroverzicht van Martine Tanghe en voeg in gedachten de namen en gezichten van deze mensen toe.

Reactie toevoegen

logo viva-svv

De inhoud van de site kan veranderen naargelang je een andere regio kiest.